Reisverslag

Bridgetown
De eerste dag na mijn aankomst (een zondag) ga ik naar de hoofdstad Bridgetown. Voor elven heeft het geen zin op pad te gaan, want dan zit iedereen nog in de kerk. Aan het eind van de ochtend stap ik daarom in de bus naar Bridgetown. Eigenlijk is het de verkeerde, want ik beland in een buitenwijk. Vandaar loop ik in de verzengende hitte naar het centrum.
Daar eenmaal aangekomen blijkt het totaal uitgestorven te zijn, en bijna alles is gesloten. Dit wordt helemaal niets vandaag, zo lijkt het.

Na ergens wat bijgetankt te hebben met drank en voedsel begeef ik me met de bus naar het Barbados Nationaal Museum. Onderaan de weg, bij de bushalte, staat nog een bordje, maar daarna moet je het helemaal zelf uitzoeken. Ik loop langs de baan voor de paardenraces, op de uitkijk naar iets wat een museum zou kunnen herbergen. Grote gebouwen genoeg, maar bordjes .. Ook is er geen mens op straat.

Chattel House

Bij een enigzins historisch uitziend gebouw twijfel ik. Even later stopt er een auto met een paar toeristen: dit moet het dus wel zijn. Ook het museum blijkt op zondag op een laag pitje te draaien: de museumwinkel is gesloten en er is geen wisselgeld.
Gelukkig is de collectie er nog wel. Het tentoongestelde leid je door de geschiedenis van Barbados, beginnend met het koraal. Want dit is een koraaleiland, en niet vulkanisch zoals de rest van de regio. De menselijke geschiedenis begint met de indianen, en eindigt met fameuze cricket-spelers.

Speightstown
Bij de bushalte, wachtend op de bus naar Speightstown in het noordwesten, raak ik aan de praat met een man van een jaar of 70. Hij blijkt een nichtje in Nederland te hebben, met wie hij regelmatig mailt.
Straatbeeld Bridgetown
Als de bus dan eindelijk komt, zijn alle zitplaatsen vergeven. Bij iedere halte (en dat is hier om de 500 meter) moeten er nog meer mensen bij. Het hele gangpad en de deuropeningen zijn volgepropt met mensen. In- en uitstappen wordt zo wel erg moeilijk, vandaar dat de bus er ook zo'n anderhalf uur over doet om Speightstown te bereiken.

Lokale bus

Het "busstation" van de stad is een stoffige weg met aan weerszijden minibusjes en wat kraampjes. De sfeer is hier meer Afrikaans dan elders op het eiland. Als ik de hoofdstraat inloop, word ik door kinderen nageroepen met 'Hey whitey'.
Een wandelingetje door de stad (het is niet zo groot) leert me dat er hier in tegenstelling tot Bridgetown nog aardig wat authentiek houten huizen staan. En het water van de zee is hier ook al zo mooi azuurblauw, constateer ik vanaf een terras.

Op de weg terug maak ik nog een tussenstop in het toeristische Holetown. En wie tref ik daar, in een restaurant: de oude man van vanochtend. Ik ga maar bij hem aan het tafeltje zitten. Hij vertelt me dat hij op weg is naar een afspraak: sinds zijn pensionering zoekt hij familiegeschiedenissen uit voor anderen. Zo blijft zijn geest lenig.

Oost-Barbados
Vandaag huur ik een auto om daarmee het midden en het oosten van het eiland te verkennen. De auto die ik toebedeeld krijg is een automaat, en dat gecombineerd met het feit dat men op Barbados links rijdt is wel een uitdaging.

Langs de kust blijkt het ook nog eens vrij druk, met korte files. Gelukkig went het rijden met een automaat snel: je gebruikt alleen je rechtervoet voor twee pedalen, waarmee je afwisselend remt en gas geeft.
Op gevoel (heb geen tijd om op de kaart te kijken) rijd ik naar het oosten. Wat opvalt is dat er overal huizen langs de weg staan: het is hier echt dichtbevolkt. Veel van de huizen zijn zgn. chattel-houses, houten huizen ontstaan na de slavernij toen de arbeiders snel hun hele hebben en houden op moesten kunnen pakken om op een andere plantage te gaan werken. Deze huizen zijn meestal erg klein. De voordeur is in het midden, met aan weerszijden een raam. Vaak zie je echter ook dat er achter verder is uitgebouwd, zodat je een lang en smal huis krijgt.

Francia plantation

Mijn eerste stop is bij St. John's Church. Dit is een lieflijk oud kerkje verscholen achter de bomen. Vanaf deze plek heb je ook een wijds uitzicht over de kust en de oceaan.

Daarna rijd ik verder naar het Sunbury Plantation House. Hoewel dit een van de topattracties moet zijn, is ook hier geen toerist te zien. September valt duidelijk buiten het seizoen. Na een korte introductie mag ik zelf rondkijken in het huis. Het is wel chique om zo'n huis te wonen, maar van binnen valt het me toch tegen. Het is eigenlijk ook niet zo groot.

Met enige omwegen ga ik daarna op zoek naar Francia Plantation. Dit huis bereik je via een slingerende, met bomen (mahoniehout) omzoomde oprijlaan. Dit is een werkelijk elegant huis, merk ik als ik er wordt rondgeleid. Bijvoorbeeld de smalle, met bloemen versierde regenpijpen. Maar ook van binnen is het prachtig: veel glanzend, donker tropisch hout uit BraziliŽ dat je terugziet op de vloeren en in het meubilair.

Dominica
In het vliegtuigje van Caribbean Star passen zo'n 30 man. Die zijn er echter lang niet. Lekker informeel wordt het dan, zo'n vlucht. Je kunt gaan zitten waar je wilt, en mag een snack naar keuze uitzoeken om de vluchttijd van een uur door te komen.

Aan de Atlantische kust

Al bij het aanvliegen zie je meteen dat Dominica een heel ander eiland is dan Barbados. Helemaal bedekt met regenwoud, groen, een vulkaaneiland rijzend uit zee. Er zijn ook een stuk minder huizen.

Op het mini-vliegveldje Melville Hall sta je al snel buiten. Daar wordt iedereen opgewacht door een vrouw die taxi's regelt: het vliegveld ligt nogal in een uithoek van een eiland. Ik krijg er een naar Laudat, in het Morne Trois Pitons National Park. Wat volgt is een werkelijk schitterende rit van anderhalf uur dwars over het eiland. Het is een bergweg met een en al bochten, dwars door de jungle, langs hagen met de prachtigste bloemen, rijen palmbomen.

Het eind van de middag en de avond breng ik door op de heerlijke veranda van Roxy's Mountain Lodge in Laudat. Het is er doodstil, er zijn geen andere gasten en het dorpje is ook al uitgestorven. Ik zit er met een boek, maar mijn blik dwaalt steeds af naar de bomen, planten en bergen.

Na een ochtendwandeling vertrek ik de volgende dag met de bus naar Roseau, Dominica's hoofdstad. De dag ervoor ben ik er ook doorheen gereden, en wat ik zag was goed. De stad ligt aan zee, en is tegen een heuvel aan gebouwd. Het centrum ligt vlak achter de boulevard. Aan de smalle, rechte straten staan nog veel oude huizen. Deze zijn fel van kleur - rood en groen zie je veel. Ook hebben er veel een balkon over de hele lengte.
Ik slenter wat door de straten, bezoek het kleine museum en geniet van een lunch op een van die kenmerkende balkons.
Roseau

Voor de onvermijdelijke rit terug naar het vliegveld aan de andere kant van het eiland trek ik de hele middag uit. Via de Tourist Information heb ik een taxi geregeld, die ook onderweg best wel ergens wil stoppen. Eerst rijden we naar Emerald Pool, dat ook onderdeel uitmaakt van het fameuze Morne Trois Pitons Nationaal Park. Hier zie je zelfs een stukje toeristische infrastructuur: een parkeerplaats, een bezoekerscentrum en een loket om een entreekaartje te kopen. Maar ook hier ben ik de enige bezoeker.
Samen met het maatje van de taxichauffeur volg ik het pad door de jungle. We komen uit aan de voet van een waterval, die uitmond in een azuurblauw, zwembadachtig meertje.

Omdat ze vinden dat ik niet genoeg van het eiland gezien heb, maken we een omweg via het gebied waar de afstammelingen van de Caribs wonen. Dit is de plek waar in het Caribisch gebied nog de meeste inheemse bewoners ('indianen') bijeen wonen. Echt veel anders dan in de rest van het eiland is het er niet, hoogstens wat armoediger.